Ondernemers en onderzoekers uit Zuid-Holland hebben vijf hindernissen op weg naar een Smart Industry benoemd. Gebrek aan samenwerking en kennis vorm de kern daarvan.

Een weg met hindernissen

Nederland heeft last van een innovatieparadox: er wordt naar internationale maatstaf veel nieuws bedacht, maar dat vertaalt zich te weinig in verkoopbare producten. Voor Zuid-Holland geldt dit zo mogelijk nog nadrukkelijker. Er is sprake van veel praktische obstakels op het pad van idee naar innovatie, ook als het gaat om Smart Industry.

Zuid-Hollandse ondernemers en ontwikkelaars zien de volgende vijf obstakels als grootste belemmering voor (de verdere ontwikkeling van) Smart Industry.

Bedrijven en kennisinstellingen kennen elkaar niet en onbekend maakt ook hier onbemind. Dat bemoeilijkt samenwerking binnen en tussen sectoren. Daardoor blijft het zichtbaar aanwezige vermogen om nieuwe ideeën en producten te ontwikkelen onderbenut.

In ketens en netwerken wordt data onvoldoende gedeeld en benut. Dit komt doordat men elkaar niet kent en door onvoldoende begrip over de waarde van de data. Daarnaast wordt samenwerking gehinderd door culturele en juridische problemen, bijvoorbeeld door zorg om privacy, en ontbreken verdienmodellen die het delen van data economisch interessant maken.

Hoge investeringen, geringe gebruiksvriendelijkheid, juridische vraagstukken en onbekendheid met technische mogelijkheden en businessmodellen remmen de toepassing van nieuwe maaktechnologieën.

Het onderwijs heeft te weinig aandacht voor cross-overvaardigheden en voor de specifieke competenties die Smart Industry vraagt. Er is te weinig uitwisseling van kennis (tussen ICT, design & creatieve sector, marketing & sales) en het ontbreekt ondernemers en (senior) medewerkers aan kennis en vaardigheden om goede keuzes te maken in verdienmodellen en de daaraan verbonden IT-applicaties. 

Veel ‘smarte’ start-ups worden door grotere bedrijven onvoldoende gekend en vertrouwd. Het risicomijdende gedrag van overheden, banken en van het grootbedrijf remt innovatie. En sterke starters hebben doorgaans niet de (financiële) mogelijkheden om zichzelf als ‘smart heroes’ te profileren tussen ‘de grote jongens’.

INNOVATIEPOTENTIEEL ONVOLDOENDE BENUT

Het ING Economisch Bureau zet Zuid-Holland op plaats vier van de twaalf provincies als het gaat om het innovatiepotentieel. Een sterke groei in het aantal innovatieve starters is daarbij het belangrijkste pluspunt. Tegelijkertijd scoort Zuid-Holland het slechts van alle provincies in het vertalen van innovatie in nieuwe producten en diensten. De innovatieparadox (veel bedenken, weinig vermarkten) waar heel Nederland onder lijdt, is nergens zo voelbaar als in Zuid-Holland.

Smart Industry - SlimGemaakt

Vertaling innovatiepotentieel in resultaat in Nederland

“In totaal leidt één euro extra aan private uitgaven aan R&D gemiddeld tot een totale, minimale verhoging van het bbp van 2,3 euro.”

Walter Manshanden (TNO), De staat van Nederland Innovatieland, 2014

Smart Industry - SlimGemaakt

Lichtblauw: lage bedrijfsinvesteringen in R&D per baan. Donkerblauw: hoge investeringen in R&D per baan.

INVESTERINGEN IN R&D IN NEDERLAND

Het achterblijven in innovatie wordt deels veroorzaakt doordat bedrijven relatief weinig investeren in R&D. Van de totale R&D-uitgaven door het Nederlandse bedrijfsleven (4,9 miljard euro in 2012) kan slechts 18% worden toegerekend aan Zuid-Holland. Dit terwijl het aandeel van Zuid-Holland in de totale Nederlandse werkgelegenheid 21% is. Alleen de regio Leiden scoort in investeringen voor R&D aanzienlijk boven het nationaal gemiddelde. De andere Zuid-Hollandse regio’s zitten daar (beduidend) onder. Dat is zorgelijk, want investeringen door ondernemingen leiden tot economische groei.

Het onderbenutten van innovatiekracht heeft grote gevolgen voor de provincie. De werkloosheid in Zuid-Holland is voor het eerst in jaren hoger dan het landelijk gemiddelde. De economische groei blijft ook achter bij het landelijk gemiddelde. Dit ondanks de aanwezigheid van een aantal grote agglomeraties, het hoge aantal kenniswerkers, veel nieuwe ondernemingen en een concentratie van gerenommeerde kennisinstellingen.

“Lobbyen kost personeel en geld. In stabiele of zelfs krimpende sectoren treden over het algemeen
minder nieuwkomers toe dan in groeisectoren. Daardoor is het voor lobbyende bedrijven in krimpsectoren eenvoudiger zich de voordelen van het industriebeleid toe te eigenen dan in groeisectoren.”

Wouter Jonkhoff †, ESB Marktordening, Jaargang 98 (4661) 31 mei 2013

DE VINGER OP DE ZERE PLEK

Strategisch economen van TNO noemen vier factoren die innovatie in Zuid-Holland met name belemmeren.

1. Bestuurlijke versnippering
Zuid-Holland is een lappendeken van grote steden, universiteiten en sterke sectoren. Allen met hun eigen besluitvormingsprocessen, belangen en cultuur. Dit bemoeilijkt en vertraagt onderlinge afstemming en samenwerking.

2. ‘Oude’ sectoren en bedrijven voeren de boventoon in lobby’s
De van oudsher sterke sectoren hebben binnen de provincie op alle niveaus goed lopende lobby’s. Zij hebben daardoor traditioneel ook veel invloed in besluitvorming. Gevolg is dat het in Zuid-Holland vooral deze (vaak krimpende) sectoren en bedrijven zijn die de vruchten plukken van industriebeleid. Dit gaat ten koste van de doorgaans kleinere en (nog) minder gevestigde nieuwe bedrijven die uiteindelijk de innovatiekracht van Zuid-Holland bepalen.

3. Beperkte samenwerking tussen economische clusters
Zuid-Holland kent een aantal sterke agglomeraties van bedrijvigheid. Denk daarbij aan de haven van Rotterdam en The Hague Security Delta. Deze economische clusters profiteren echter niet of nauwelijks van elkaars nabijheid. Mogelijke schaalvoordelen komen daardoor onvoldoende tot stand.

4. Risicodragend kapitaal onderbenut
Binnen de provincie is genoeg kapitaal aanwezig om innovatie te financieren. Maar door een gebrek aan onderlinge uitwisseling van informatie kennen ondernemers en financierders elkaar niet. Risicokapitaal wordt daardoor onvoldoende aangesproken ten behoeve van innovatie in de provincie.

Door de oogharen heen gezien is het centrale probleem een gebrek aan samenwerking tussen respectievelijk besturen, sectoren, bedrijven en binnen de kapitaalmarkt. Maar de vorming van de Metropoolregio Rotterdam Den Haag, de oprichting van het cross-sectorale hightechplatform Holland Instrumentation en de start van InnovationQuarter laten zien dat de regio deze problemen serieus neemt en op alle punten aanpakt.


“Meer kruisbestuiving en ondernemerschap kan uitkomst bieden”

ING Economisch Bureau.


In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat meer samenwerking en kennisuitwisseling tussen alle economisch relevante partijen in Zuid-Holland voorwaarde zijn voor meer succes in innovatie. Er valt op deze aspecten nog veel te verbeteren, maar een aantal belangrijke eerste stappen is inmiddels gezet.

AUTEURS

Anton Duisterwinkel | InnovationQuarter en Holland Instrumentation
Marco Kirsenstein | FME
Marie-Claire van Doremalen | Meetaalunie
Mario Willems | TNO
Renate Beausoleil | Provincie Zuid-Holland
Ritha van de Ruit | Kamer van Koophandel
Sigrid Bueving | Gemeente Delft
Tom van der Horst | TNO